Levensverzekeringen

Overige kapitaalverzekeringen en de gevolgen bij echtscheiding

Scheiding kan fiscale gevolgen hebben voor overige kapitaalverzekeringen die niet worden
aangemerkt als KEW maar als kapitaalverzekeringen in box 3

Onder de Wet IB 2001 vallen overige kapitaalverzekeringen in box 3. Hierbij speelt geen bijzondere fiscale faciliteit. Als een dergelijke verzekering bij echtscheiding wordt verdeeld, heeft dit geen gevolgen voor de inkomstenbelasting.

Kapitaalverzekeringen box 3 die vallen onder het overgangsrecht. Op grond van het overgangsrecht gelden de regels die voor de invoering van de Wet IB 2001 van toepassing waren.
De kapitaalverzekering kan bij scheiding op de volgende manieren worden verdeeld:

  • De verzekeringnemer wordt gewijzigd. Dit heeft geen fiscale gevolgen.
  • De verzekerde wordt gewijzigd. In eerste instantie heeft dit geen fiscale gevolgen,
    tenzij het verzekerd kapitaal – bij beleggingsverzekeringen de totale brutopremie- wordt verhoogd. In dat geval gaat de eerbiedigende werking van het pre-BHW-regime verloren, evenals de vrijstelling in box 3 voor kapitaalverzekeringen van maximaal € 123.428
    De box 3-vrijstelling geldt voor verzekeringen die zijn gesloten voor 15 september 1999. Het bedrag van de vrijstelling is niet geïndexeerd en geldt per persoon. Deze vrijstelling gaat niet verloren als bij wijziging van de verzekerde bij een beleggingsverzekering de gezamenlijke bruto premie (dit is de premie die verschuldigd is voor uitkeringen bij leven, bij overlijden en de premievrijstelling bij invaliditeit) niet wordt verhoogd. Verder moet de verzekering aan de voorwaarden blijven voldoen.
  • De verzekering wordt gedeeltelijk voortgezet in een andere kapitaalverzekering. Dit kan bij scheiding zonder fiscale problemen plaatsvinden. Het premieverleden en de bandbreedte-eis gaan evenredig mee met de gesplitste verzekering.
  • Geldopname uit de verzekering. Dit wordt gezien als (gedeeltelijke) afkoop. Het rentebestanddeel in de uitkering is belast (voor dat afkoopdeel). Tevens zal op de einddatum van de verzekering moeten worden bekeken of na de opname vijftien of twintig jaar aaneengesloten premie is betaald en of dus recht bestaat op een vrijstelling op grond van Wet IB 1964.
    Attentiepunt daarbij is dat bij verlenging van de duur de vrijstelling in box 3 vervalt.