Gouden handdruk en echtscheiding

De vraag of een gouden handdruk bij echtscheiding moet worden gedeeld is in de rechtspraak
verschillend beantwoord. Het maakt in deze verschil of de gouden handdruk in contanten is genoten
dan wel in de vorm van een stamrecht.

En als er sprake is van een stamrecht, dan maakt het vervolgens verschil of er al uitkeringen zijn ontvangen die dienden ter vervanging van inkomen dat zou zijn genoten als de dienstbetrekking niet zou zijn geëindigd.

Gemeenschap van goederen

Bij een huwelijk in gemeenschap van goederen zijn beide echtgenoten gezamenlijk en voor gelijke delen gerechtigd in de tot de gemeenschap behorende goederen. De gemeenschap bevat alle goederen, met uitzondering van die goederen die als 'privévermogen' bestempeld worden. Dat zijn naast de goederen die via een uitsluitingsclausule zijn verkregen, het pensioen en de zogeheten verknochte goederen. Verknochte goederen zijn goederen die in dusdanige mate aan een echtgenoot verbonden zijn dat zij niet tot de gemeenschap gaan behoren. Of een goed aan een echtgenoot is verknocht, is afhankelijk van de aard van het goed en de maatschappelijke opvattingen daarover. Dat die maatschappelijke opvattingen kunnen wijzigen blijkt heel duidelijk uit de pensioenarresten. Oordeelde de Hoge Raad in 1959 nog dat pensioen verknocht is; in 1981 kwam zij daar bij het arrest Boon/Van Loon op terug.

Zoals gezegd is de aard van het goed van belang. In dit kader wordt het volgende onderscheid gemaakt:

  • de gouden handdruk wordt in contanten genoten;
  • de gouden handdruk wordt genoten in de vorm van een direct ingaand stamrecht dat dient ter
    vervanging van inkomen;
  • de gouden handdruk wordt genoten in de vorm van een uitgesteld stamrecht.

De gouden handdruk in contanten

Al in 1996 oordeelde ons hoogste rechtscollege (Hoge Raad 22 maart 1996, nr. 15921, NJ 1996/00640)
dat een gouden handdruk die door de werknemer ten tijde van het huwelijk in contanten werd
ontvangen (er werd geen stamrecht bedongen) tot de gemeenschap van goederen behoort en bij
echtscheiding moet worden gedeeld.

De gouden handdruk in de vorm van een direct ingaand stamrecht

In 2008 oordeelde de Hoge Raad (HR 17 oktober 2008, nr. 2007/00078, LJN: BE 9080) dat een gouden handdrukstamrecht in een bepaalde situatie aan een echtgenoot was verknocht. De gouden handdruk werd aangewend voor de aankoop van een direct ingaande periodieke uitkering en diende als inkomensaanvulling. Volgens de Hoge Raad was er sprake van vervanging van inkomen dat normaliter als loon was genoten als er geen sprake was geweest van ontslag. Net als loon dat na de echtscheiding wordt verkregen, vallen de uitkeringen uit het stamrecht die na de echtscheiding worden genoten niet in de gemeenschap. Wel zal bij eventuele alimentatie voor wat betreft de vaststelling ervan, rekening worden gehouden met het inkomen uit het gouden handdrukstamrecht. De stamrechtuitkeringen die werden ontvangen vóór de datum van echtscheiding behoorden wel tot de gemeenschap.

De gouden handdruk in de vorm van een uitgesteld stamrecht

Het Gerechtshof Amsterdam heeft hier over geoordeeld (Gerechtshof Amsterdam 22 januari
2013, nr. 200.111.263/01, LJN: BZ4094). Daarbij speelde het volgende. Man en vrouw zijn in 1999
gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw ontvangt in 2002 een gouden handdruk en kiest er
voor deze te genieten in de vorm van een uitgesteld stamrecht. Er wordt een kapitaalverzekering met stamrechtclausule aangekocht bij een verzekeraar die tot uitkering komt in 2012. In 2009 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De man eist de helft van het stamrecht en de vrouw verzet zich daartegen met de stelling dat het stamrecht aan haar verknocht is.

Net als de rechtbank is het gerechtshof is van mening dat het stamrecht tot de gemeenschap behoort en dat het gedeeld moet worden. Het argument van de vrouw dat het stamrecht verknocht is wordt verworpen. Haar verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 2008 wordt niet gehonoreerd omdat in die situatie sprake was van een direct ingaand stamrecht dat voorzag in aanvulling van het inkomen tot 70% van het laatstverdiende salaris. Daar was hier geen sprake van omdat uit het stamrecht nog geen uitkeringen waren gedaan.

Voor de vraag of een stamrecht bij echtscheiding moet worden gedeeld maakt het overigens niet uit of er sprake is van een verzekerd stamrecht (verzekeraar of eigen stamrecht BV) dan wel een bancair
stamrecht.